De juridische basis van schadecompensatie

Wat zijn de wettelijke gronden waarop het sluiten van de horecagelegenheden door de Staat der Nederlanden zich berust?

Korte inleiding

1.1 De Staat der Nederlanden

In publiekrechtelijke zin wordt de Nederlandse staat aangeduid als de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat). De Staat, de provincies, de gemeenten, de waterschappen alsmede de lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordende bevoegdheid is verleend, bezitten rechtspersoonlijkheid zoals bedoeld in art. 2:1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Een rechtspersoon heeft net als een natuurlijk persoon zelfstandige rechten en plichten. De wetten met betrekking tot rechtspersonen zijn opgenomen in boek 2 van het BW.

De Staat bestaat uit bestuursorganen. Deze organen zijn ingesteld krachtens publiekrecht (a-organen), of krachtens een ander persoon of college, bekleed met enig openbaar gezag (b-organen). Bestuursorganen van de Staat zijn onder andere de regering, de ministers en de staatssecretarissen.

1.2 Besluit

Een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan noemt men een besluit in de zin van art. 1:3 van het Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bestuurshandelingen dienen op grond van het legaliteitsbeginsel plaats te vinden, dat wil zeggen dat er een basis moet zijn in de door de wet toegekende bevoegdheid. Een besluit om de horecagelegenheden te sluiten moet dus gebaseerd zijn op een wet in de formele zin.

Er zijn vijf elementen waar een besluit in de zin van de Awb aan moet voldoen. Als eerst moet het besluit schriftelijk genomen zijn, er moet sprake zijn van een beslissing die is genomen door een bestuursorgaan, verder moet de inhoud van de beslissing van publiekrechtelijke aard zijn, en een rechtshandeling betreffen. Een besluit is dus een eenzijdige rechtshandeling waarmee een bestuursorgaan een publiekrechtelijk rechtsgevolg beoogt. Belanghebbende personen (art. 1:2 Awb) kunnen, uitzonderingen daargelaten, bij rechtstreekse betrokkenheid bezwaar maken tegen een besluit.

Er zijn verschillende soorten besluiten in de Awb, deze zijn onder te verdelen in twee groepen: beschikkingen en besluiten van algemene strekking (hierna: BAS).  Een BAS kan men weer onderverdelen in algemeen verbindende voorschriften, plannen, beleidsregels en overige besluiten van algemene strekking.

Beschikkingen zijn niet van algemene strekking, en hebben aldus een individueel karakter[1]. Een BAS daarentegen is herhaaldelijk van toepassing.

 

1.3 Tijdelijke regeling maatregelen covid-19

Ministers en staatssecretarissen hebben de bevoegdheid om zelfstandig regelingen vast te stellen. Deze regelingen worden opgesteld door een of meerdere ministers en/of staatssecretarissen. De regeling wordt voor het wordt bekrachtigd onder de Ministerraad gebracht. De inwerkingtreding gebeurt door een publicatie in het Staatscourant. Bij totstandkoming van ministeriële regelingen worden de Eerste- en Tweede Kamer buiten beschouwing gelaten. Hierdoor is het mogelijk om in een zeer korte tijd aanvullingen te brengen aan een (formele) wet. De maatregelen ten tijde van dit onderzoek hebben een wettelijke grondslag in de ministeriële regeling ‘Tijdelijke regeling maatregelen covid-19’ (geldend van 4 januari 2021 tot 1 maart 2021)[2]. Hierin is het volgende opgenomen onder artikel 4.4 lid 1: ‘eet- en drinkgelegenheden en de daarbij horende dansvoorzieningen zullen niet geopend worden voor het publiek.’

1.4 Tijdelijke wet maatregelen covid-19

Sinds 1 december 2020 zijn de noodverordeningen waarop de covid-19 maatregelen voorgaand gebaseerd waren, vervangen door de Tijdelijke wet maatregelen covid-19[3] (hierna: Coronawet), en de Wet publieke gezondheid bekrachtigd. Op deze manier wilde de overheid een wettelijke grondslag bieden voor de beperkende maatregelen die genomen zijn en worden tot op heden.

Het orgaan die de overheid adviseert inzake nieuwe wetsvoorstellen is de Raad van State (hierna: RvS). Zodoende heeft zij ook advies uitgevaardigd over de Coronawet, gepubliceerd op 13 juli 2020[4].

In het algemene oordeel spreekt de RvS over verschillende fasen met betrekking tot het bestrijden van de coronacrisis. De eerste fase wordt beschreven als de acute fase, waarin de noodverordeningen te rechtvaardigen waren vanwege de omstandigheden. Er wordt benadrukt dat de maatregelen die opgenomen waren in de noodverordening(en) ook succesvol hebben geleid tot een afvlakking van de epidemie.

De volgende fase, is de huidige situatie, waarin het virus nog niet voorbij is. Vanwege het succes van de maatregelen in de vorige fase, oordeelt de RvS dat de maatregelen gestaag stand kunnen houden.

Er zijn ook twee punten van kritiek. Het ene punt is de horizonbepaling in de wet, die was destijds vastgesteld voor de duur van een jaar; te lang volgens de RvS. De looptijd van de wet is gewijzigd naar een regeling waarmee de wet iedere drie maanden verlengt kan worden voor zolang de maatregelen nodig worden geacht[5].

Verder oordeelde de RvS:

Het wetsvoorstel regelt het nodige vanuit het primaire gezichtspunt van de publieke gezondheid, maar de toelichting betrekt belangrijke andere aspecten en sectoren nog te weinig in de beschouwing. (…) Zonder van de regering het onmogelijke te vragen, gelet op de vereiste spoed van dit wetsvoorstel, mag van haar verwacht worden dat zij in de toelichting in enige mate ingaat op deze bredere vragen van proportionaliteit en balans. Daarmee wordt ook meer zicht gegeven op de belangenafweging die aan de vereiste nadere besluitvorming over de ministeriële regelingen ten grondslag zal moeten liggen’.

En: (…) Tegen die achtergrond zal ook de komende maanden steeds een afweging tussen de verschillende grondrechtelijke en andere vitale belangen noodzakelijk blijven. De overheid heeft enerzijds de grondrechtelijke verplichting om de gezondheid en het leven van burgers te beschermen en mag anderzijds bij het nemen van de daarvoor noodzakelijke maatregelen met het beperken van grondrechten en het ingrijpen in andere zwaarwegende publieke, maatschappelijke en economische belangen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is. (zie noot 5.

De Afdeling meent dat het wetsvoorstel voor die afweging een goede basis biedt. Daarbij is wel essentieel dat de proportionaliteit van de maatregelen steeds opnieuw zorgvuldig moet worden getoetst.

1.5 Jurisprudentie

Bij de tweede sluiting van de horeca (per 15 oktober 2020) was bij de Rechtbank Den Haag een kort geding aangespannen door horecaondernemers tegen de Staat met de eis dat de getroffen horecaondernemingen open moesten blijven[6]. De voorzieningenrechter stelde in haar oordeel dat: (…) de civiele rechter – en temeer de rechter in kort geding – zich zeer terughoudend dient op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Staat op dit punt. Er is geen plaats voor een eigen, “volle” afweging door de burgerlijke rechter. Zo heeft de rechter niet de taak om naar eigen inzicht belangen te wegen. Alleen als evident is dat de Staat onjuiste keuzes maakt en de Staat aldus niet in redelijkheid voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, is plaats voor rechterlijk ingrijpen’.

Ook bepaalde de rechter dat de Staat, in acute crisissituaties zoals de huidige pandemie, een grote mate van (beleids)vrijheid heeft bij het nemen van maatregelen door middel van de inzet van bestuurlijke en juridische middelen. In de beoordeling wordt gesproken over ‘zeer ingrijpende gevolgen voor de branche met onduidelijkheid over de schade en of de maatregelen werkelijk het beoogde effect zullen hebben’, maar dat de maatregelen passen bij het advies van de Outbreak Management Team (hierna: OMT) om de mobiliteit en sociale contacten van burgers te beperken. De eisende partij is in ongelijk gesteld door de rechter, en daarmee heeft de sluiting van eet-en drinkaangelegenheden standgehouden.

2.4 Gronden van beroep

De gronden van beroep zijn weergeven in twee groepen: gronden onder rechtmatigheid en gronden onder onrechtmatigheid. De gronden zijn op deze manier weergeven vanwege de verschillende juridische wegen die ingeslagen moeten worden na bepaling van de oorzaak van de schade.

2.4.1. Rechtmatig

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Een overheidshandeling kan rechtmatig zijn en toch nadeel (schade) tot gevolg hebben.

Bestuursorganen dienen tijdens het proces van het nemen van een beslissing of besluit rekening te houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (hierna: Abbb). Deze beginselen zijn onderverdeeld in formele en materiële beginselen, waarbij formele beginselen betrekking hebben tot de voorbereiding, totstandkoming, motivering en inrichting en materiële beginselen betrekking hebben op de inhoud van het besluit.

De formele beginselen zijn het fair-play beginsel, formele zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en formele rechtszekerheidsbeginsel.

De materiele beginselen zijn het gelijkheidsbeginsel, materiële zorgvuldigheidsbeginsel, materiële rechtszekerheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, détournement de pouvoir, evenredigheidsbeginsel en het verbod op willekeur[7].

Bij een schending van een of meerdere formele beginselen kan het besluit nog standhouden, echter slaagt een beroep op een materieel beginsel van behoorlijk bestuur leidt dit tot vernietiging van het besluit en moet het bestuursorgaan, en in sommige gevallen de bestuursrechter, een nieuw, andersluidend besluit nemen[8].

Het evenredigheidsbeginsel (proportionaliteitsbeginsel)

Onder afdeling 3.2 van het Awb worden middels drie wetsartikelen de zorgvuldigheid en belangenafwegingen geregeld.

Art. 3:2 Awb gaat over de plicht van het bestuursorgaan om ter voorbereiding van het besluit de nodige kennis te vergaren om belangen af te kunnen wegen.  Art. 3:3 Awb gaat over het verbod op détournement de pouvoir, waarbij het orgaan zijn bevoegdheid niet voor een ander doel mag gebruiken dan waar het voor bedoeld is. Art. 3:4 lid 1 Awb beschrijft de plicht van een bestuursorgaan om belangen af te wegen van de rechtstreeks betrokken personen (belanghebbenden), mits er bij wettelijke voorschrift of uit de aard van de bevoegdheid beperking voortvloeit. Dit noemt men het evenredigheidsbeginsel.

Indien een besluit van een bestuursorgaan rechtmatig is, maar onevenredig nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene(n), is daarmee het evenredigheidsbeginsel ex. art. 3.4 lid 2 Awb geschonden. Hierdoor ontstaan een situatie van een onrechtmatige daad ex. art. 6:162 BW.

Indien het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt dan kan het besluit niet, of niet in zijn huidige vorm, standhouden.

Het égalité-beginsel

Het égalité-beginsel is in lijn met het evenredigheidsbeginsel. Men kan zich beroepen op het beginsel indien er sprake is van abnormalité en specialité bij een nadelig overheidsbesluit. Abnormalité, de zogenaamde abnormale last, houdt in dat de schade voor de benadeelde persoon of personen het normale maatschappelijke ondernemingsrisico overstijgt, en specialité dat de benadeelde onevenredig wordt benadeeld. Indien beroep op het égalité-beginsel slaagt kan het besluit standhouden, maar dient het nadeel gecompenseerd te worden. De toekenning van compensatie van het nadeel gebeurt op grond van art. 4:126 lid 1 Awb: ‘Indien een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kent het bestuursorgaan de benadeelde desgevraagd een vergoeding toe’.

2.4.2 Onrechtmatig

Art. 1. Europees Protocol EVRM

De belangen van dit artikel richten zich tot de verdragstaten van de Europese Unie. Art. 1 EP luidt als volgt:

‘Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law.

The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions or penalties.’

Uit art. 1 EP vloeien drie regels voort: (1) burgers moeten ongestoord kunnen genieten van hun eigendommen, (2) de staat moet burgers beschermen tegen onteigening van eigendommen, (3) en het recht van de staat tot regulering van eigendommen in het algemeen.

Dit artikel beoogt burgers te beschermen tegen eigendomsinbreuk door de overheid. Er wordt in het artikel gesproken over ‘possessions’. Volgens een uitspraak van de Hoge Raad kan men dit begrip ruim uitleggen, maar er worden verder geen omlijningen gemaakt over wat men precies kan verstaan onder ‘ruim’[9].

De bescherming van art. 1 EP is gering, het is namelijk geen absolute recht zoals bedoeld is door het EVRM. De Staat kan ontneming van eigendommen rechtvaardigen indien: de onteigening in het algemeen belang is, of onder voorwaarden dat het is voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Bij onteigening in het algemene belang moeten de verhoudingen het algemene belang en die van de benadeelde wel proportioneel zijn (proportionaliteitstoetsing).

Onrechtmatige overheidsdaad

Bij een onrechtmatige handeling vanuit de overheid spreekt men van een onrechtmatige overheidsdaad. De onrechtmatige daad wordt geregeld in boek 6 BW artikel 162. Normaliter zijn er vijf vereisten waar een onrechtmatige daad aan moet voldoen, maar bij onrechtmatig overheidshandelen zijn er twee extra criteria. De zeven criteria zijn: onrechtmatig handelen, toerekenbaarheid, schade, relativiteit, causaliteit, eigen schuld en verjaring.

Om aan de criteria onrechtmatig handelen te voldoen moet bewezen worden dat (i) er sprake is van inbreuk op het recht van een ander (ii) het besluit in strijd is met wettelijke formele of materiële wetten of rechtsnormen (iii) en de handeling maatschappelijk onaanvaardbaar is.

Wat is er verandert met de komst van de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie voor stichtingen en verenigingen?

Er zijn twee wetten die betrekking hebben tot het instellen van een rechtsvordering bij de rechter door een stichting of vereniging; art. 3:305a BW, en per 1 januari 2020 de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie (hierna: Wamca).

De Wamca is in leven geroepen om versplintering tegen te gaan van een dezelfde zaak door verschillende belanghebbende stichtingen of verenigingen.

Art. 3:305a BW

Een stichting of vereniging kan op grond van art. 3:305a BW een collectieve claim actie instellen. De collectieve actie zal op grond van art. 3:305a BW gevorderd worden en daarnaast getoetst worden aan de Wamca. Hieronder een analyse van de eerste drie leden art. 3:305a BW per lid van het artikel.

Lid 1 geeft aan dat een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen voor zover zij deze belangen behartigt.

Uit de parlementaire geschiedenis van de wet kan men opmaken dat met behartigen wordt bedoeld dat uit de stukken van de vereniging of stichting moet blijken dat voorafgaand aan de vordering feitelijke werkzaamheden zijn uitgevoerd om de belangen te behartigen van de belanghebbenden. Hierbij is het niet noodzakelijk zij al een belangenbehartigende stichting of vereniging was voor het instellen van een rechtsvordering[10]

Uit de overige jurisprudentie is een aantal beperkende voorwaarden (door de Hoge Raad eisen of omstandigheden genoemd) af te leiden, waaraan moet zijn voldaan om tot ontvankelijkheid te komen. (…) Allereerst de voorwaarden die betrekking hebben op de hoedanigheid van de eisende organisatie. Dit betreft ten eerste de voorwaarde dat de organisatie rechtspersoonlijkheid moet bezitten. Ten tweede de voorwaarde dat de vordering dienstbaar moet zijn aan de doelstelling van de organisatie. Aan deze twee voorwaarden moet onder alle omstandigheden zijn voldaan. Daarnaast wordt in beginsel ook geëist dat de organisatie representatief is en/of reeds eerder feitelijke werkzaamheden heeft ontplooid ten behoeve van de belangen waarvoor zij opkomt.’

In lid 1 wordt aangegeven dat een vereniging of stichting volledige rechtsbevoegdheid moet bezitten. Wanneer heeft een stichting of vereniging volledige rechtsbevoegdheid?

Bij het oprichten van een stichting of vereniging kan gekozen worden voor beperkte of volledige rechtsbevoegdheid. Bij volledige rechtsbevoegdheid heeft een vereniging dezelfde rechten en plichten als iedere burger. Volledige rechtsbevoegdheid is te verkrijgen door een akte van statuten van de vereniging op te laten stellen door een notaris.

In lid 2 wordt aangegeven dat de rechtspersoon (de stichting of vereniging als bedoeld in lid 1) overleg dient te voeren met de gedaagde. Hierbij is een verzoek tot overleg met vermelding van de gevorderde binnen een termijn van twee weken na ontvangst voldoende. Verzuimt de rechtspersoon hierin, dan wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaart. 

Lid 3 geeft aan dat de veroordeling van een rechtsvordering als bedoeld in lid 1 openbaar gemaakt kan worden, en hieruit niet het recht tot schadevergoeding (te voldoen in geld) kan voortkomen.

 

WCAM/WCAMCA (Van WCAM naar WCAMCA)

Sinds de invoering van de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie (hierna: Wamca) per 1 januari 2020 is het mogelijk om ook schade te vorderen in een collectieve aansprakelijkheidszaak.

Het uitgangspunt bij de totstandkoming van de Wamca is het aantrekkelijker maken van het schikken van een zaak, onder meer door het verbeteren van de kwaliteit van collectieve belangenbehartigers en de coördinatie van collectieve procedures. Alle zaken moeten aangebracht worden bij de rechtbank Amsterdam en worden aangetekend in een register voor collectieve acties[11]

1. Waaraan moet eiser (claim-stichting) voldoen om ontvankelijk verklaard te worden als belangenbehartiger volgens de wet Wamca?

De beoordeling van de ontvankelijkheid van de (claim)stichting wordt getoetst op art. 1018c lid 2 Rv en artikel 3:305a BW.

1.1 Representativiteitstoets

Het aantal vertegenwoordigde gedupeerden, en de vordering van de belangenbehartiger jegens de wederpartij, dienen typerend te zijn voor de gedupeerden van wie zij de belangen behartigt. 

1.2 Geschiktheidstoets

Bij de geschiktheidstoets worden de deskundigheid, expertise, de governance-structuur, de financiering, de verantwoording aan gedupeerden, overige disclosure elementen, de wijze waarop zij in rechte wordt bijgestaan, de motieven en de aanwezigheid van eventuele belangenconflicten bij de belangenbehartiger getoetst.

 

2. Hoe verloopt de procedure bij de rechter?

2.1 Schikking

De rechtbank zal trachten de partijen eerst te laten schikken.

Die schikking wordt getoetst als ware het een WCAM-schikking. Wordt de schikking goedgekeurd, dan volgt een algemeenverbindendverklaring. De personen binnen de nauw omschreven groep hebben dan de mogelijkheid om van een tweede opt-out-recht gebruik te maken. De rechter bepaalt de termijn (minimaal één maand) en procedure voor opt-out. De uitstappers kunnen daarna niet langer collectief optreden.

2.2 Niet-schikking

Als de schikking mislukt is, dan zal het ultimum remedium zijn dat de rechter een collectieve schadeafwikkeling oplegt aan partijen.

De rechter werkt zo nodig zonder de medewerking van partijen toe naar de vaststelling van een collectieve schadeafwikkeling die strekt tot vergoeding door verweerder van de schade van de groep. De rechter past bij het vaststellen van de schade de uitgangspunten van afd. 6.1.10 BW toe.

De regels die daar staan geven voldoende ruimte om een schadeafwikkeling vast te stellen die ‘rechtens én redelijk’ is, hierbij houdt de rechter geen rekening met individuele beoordelingen.

 

3. Jurisprudentie

Wegens de vrij recente invoering van de WAMCA is er weinig jurisprudentie te vinden over beroepen op art. 3:305a BW en de WAMCA (schadevergoeding).

Er is tot op heden een zaak (Stichting Brein tegen Gedaagde) waarbij de rechtbank de gedaagde heeft veroordeeld tot betaling van de schade geleden door de leden van de stichting op grond van de Wamca[12]. Het ging in deze zaak over inbreuk op auteursrechtelijk beschermde e-boeken.

6 jan 21

https://www.echr.coe.int/Documents/Guide_Art_1_Protocol_1_ENG.pdf

http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=135900 (claimstichting geschikt of ongeschikt?)

Aansprakelijkheid uit ‘rechtmatige’ overheidsdaad: het samenspel tussen de nationale égalité en het Europese eigendomsrecht

Prof. mr. T. Barkhuysen en mr. drs. M.K.G. Tjepkema*

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2001:AD5493

HR 16 november 2001 ECLI:NL:HR:2001:AD5493

(varkenshouders)

https://www.navigator.nl/document/id574625944072498e8b9c9439443a77d9/het-voorlopig-getuigenverhoor-burgerlijk-proces-praktijk-nr-xvii-95-bevoegdheidsverdeling-civiele-rechter-en-bestuursrechter?ctx=WKNL_CSL_2126

(mr. E.F. Groot Bevoegdheidsverdeling civiele rechter en bestuursrechter)

7 jan 21

https://vng.nl/artikelen/nadeelcompensatie

(Vereniging van Nederlandse gemeenten)

https://njcm.nl/wp-content/uploads/ntm/DE-BETEKENIS-VAN-ARTIKEL-1-EERSTE-PROTOCOL-VOOR-HET-ONDERNEMINGSRECHT.pdf

(DE BETEKENIS VAN ARTIKEL 1 EERSTE PROTOCOL VOOR HET ONDERNEMINGSRECHT – Alexander Schild NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007), nr. 5)

http://www.advocaten.nl/de-onrechtmatige-overheidsdaad/

https://pgawb.nl/pg-awb-digitaal/hoofdstuk-8/8-4-schadevergoeding/

(Pels Rijcken schadevergoeding artt.8:88-8:95 Awb)

https://wetten.overheid.nl/BWBR0032904/2013-07-01

(wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten)

https://www.dirkzwager.nl/kennis/artikelen/de-bestuursrechter-vs-de-civiele-rechter-hoe-moet-de-knip-van-artikel-889-lid-2-awb-worden-uitgelegd/

8 jan

https://www.navigator.nl/document/id49e530bea3e445cf8b424ec604f27cf9/overheidsaansprakelijkheid-voor-het-verstrekken-van-onjuiste-informatie-staat-en-recht-nr-45-3-3-1-de-hoofdlijnen-van-titel-8-4-awb

https://repository.overheid.nl/frbr/sgd/19911992/0000025191/1/pdf/SGD_19911992_0006581.pdf

(kamerstuk invulling art. 3:305a BW)

De bevoegdheid van de rechter
Over internationale, absolute, sectorale en relatieve bevoegdheid

A.L.H. Ernes en A.W. Jongbloed

11 jan

https://jurisme.nl/onrechtmatige-daad/

https://www.raadvanstate.nl/@121349/w13-20-0180-iii/

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-66909.html

(Ministeriële regeling COVID-19 t/m 19 januari)

https://www.raadvanstate.nl/overrvs/wet-raad-state-0/

 

12 jan

https://www.navigator.nl/document/id32093f50fc4b49599e626ea259146675/uitkoop-van-minderheidsaandeelhouders-serie-van-der-heijden-instituut-nr-125-432a-het-toetsingskader-voor-het-eigendomsrecht-van-art-1-ep-evrm?ctx=WKNL_CSL_2052

https://pgawb.nl/pg-awb-digitaal/hoofdstuk-4/4-5-nadeelcompensatie/artikel-4126/

https://ec.europa.eu/info/live-work-travel-eu/health/coronavirus-response/jobs-and-economy-during-coronavirus-pandemic_nl#staatssteun

 

13 jan

Landbouwvliegers HR 16-05-1986, NJ 1987, 251
ECLI:NL:HR:1986:AC9354

 

17 jan

https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/34608_wet_afwikkeling_massaschade

https://repository.overheid.nl/frbr/sgd/19911992/0000025191/1/pdf/SGD_19911992_0006581.pdf

http://openaccessadvocate.tijdschriften.budh.nl/tijdschrift/maandbladvermogensrecht/2015/11/MvV_1574-5767_2015_013_011_002.pdf

 

[1] Bestuursprocesrecht, Ildi van Boetzelaer Gulyas

[2] Staatscourant 14 december 2020 – 66909

[3] Rijksoverheid

[4] Raad van State, W13.20.0180/III, Kamerstukken II 2019/20, 35526, nr. 4

[5] Rijksoverheid Coronowet vervangt noodverordeningen

[6] Rb Den Haag, 20 oktober 2020. ECLI:NL:RBDHA:2020:10755

[7] Recht in je opleiding, bestuursrecht

[8] Bestuursrecht mr. W.M.B. Elferink en mr. G.W de Ruiter p. 135

[9] HR 16 November 2001. ECLI:NL:HR:2001:AD5493

[10] Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 1991-1992, 22486 nr. 3

[11] Eerste Kamer ‘wet afwikkeling massaschade’

[12] Rb Noord-Holland, 9 december 2020 ECLI:NL:RBNHO:2020:996